donderdag 21 juli 2016

Van Beijersbergen (Henegouwen) van Lisse via Wassenaar naar Rotterdam.





Een Johanna Maria van Bijersbergen trouwt in 1940 met Adrianus van Oldenbarneveld genaamd Witte Tullingh en komt zo in de genealogie van 2 van onze kleinzoons terecht. Dus op zoek naar alle gegevens van deze familie.  Ik duik weer in Delpher, digitaal Rotterdam, archief van Wassenaar en in Zoekakten en ik struin weer over het Internet. En dan heb je heel wat gegevens bijelkaar en die ga je dan weer uitwerken en zo kan ik dus de stamreeks die bij Johanna Maria hoort maken.  En het werd een heel verhaal.

We beginnen rond 1500 in Lisse, In de middeleeuwen was Lisse nog klein. Rond 1500 stonden er zo'n 50 huizen. Door aanhoudende oorlogen heerste er armoede. De bewoners leefden onder andere van landbouw, veeteelt en turfsteken. In de eeuwen daarop ontstond de bloembollencultuur. De zandgronden in de omgeving bleken, mits goed bemest, zeer geschikt voor deze teelt. Langzaam maar zeker werden de omringende oude duinen steeds verder afgegraven. Van de duinen en uitgestrekte bossen bleef slechts een deel over. De bollenteelt en -handel bracht werk gelegenheid en welvaart met zich mee.

In die tijd woonde er een Nanning (Beijersbergen) in Lisse en hij kreeg er een zoon van een voor mij onbekende vrouw.
Cornelis Nanningsz (Beijersbergen) geboren in Lisse rond 1530, hij trouwt met Jannetje Gherijtsdr. van Thiel dochter van Gerijt Dircks van Thiel en Anthonia Claesdr. Van Sanen. Zij krijgen een zoon:

Nanning Cornelis Beijersbergen, geboren in Lisse rond 1564, hij op 30 mei 1605, hij trouwt met Maritgen (oude Maritje) Pietersdr Keijser van Santvliet , zij is geboren rond 1565 als dochter van Pieter Claes Willemsz. Van Santvliet en Maritgen Cornelisdr. Keijzer. Zij krijgen vier zonen, allen geboren in Lisse , Claes 1591, Dirck 1595, Nanning 1600 en Pieter.

Claes Nannings Beijersbergen (welgeboren man en schepen van Waalsdorp) geboren in Lisse rond 1591 en overleden voor 1674, hij trouwt in Lisse op 25 november 1615 met Thoontgen Jansdr. geboren in Delft. Waarschijnlijk is hij met zijn vrouw in Wassenaar beland want daar vinden wij hun zoon; 

Wassenaar is een uitgestrekt dorp, gelegen aan de duinrand. In het westen grenst het aan de zee, in het zuiden aan Den Haag. Al rond 1800 v.Chr. werd het gebied van het huidige Wassenaar bewoond. De eerste inwoners vonden op de strandwallen een veilig en droog heenkomen temidden van het drassig duinlandschap, waar de zee toen nog vrij spel had. Rond 1150 werd hier een kerk werd gebouwd, gewijd aan Willibrord, de Angelsaksische missionaris die in de zevende eeuw in dit gebied het christendom verbreidde. In de nabijheid van de kerk lag de burcht, een grote versterking op een kunstmatige heuvel, die pas in de twintigste eeuw werd afgegraven.         
Deze heuvel werd Wassenaar genoemd (volgens sommigen ‘steile heuvel’, volgens anderen ‘nabij drassig land’). De heren Van Wassenaer, die behalve de burcht hier veel grond in bezit hadden, én het oude kerkdorp zouden hun naam aan deze heuvel hebben ontleend.                                                                                                           
De dorpskern van Wassenaar bleef eeuwenlang klein, maar de strandwallen tussen Den Haag en het oude dorp werden ‘ontdekt’ door rijke Hagenaars, die in de omgeving mooie locaties zochten om een buitenplaats te laten bouwen. Rond 1795 telde Wassenaar niet minder dan 26 buitenplaatsen.

In die periode wordt Pieter Claesz Naningsz Beijersbergen ( van Beijeren/ Beijersbergen van Henegouwen) geboren in Wassenaar rond 1627, aangifte van zijn overlijden wordt gedaan in Wassenaar op 23 november 1714, hij wordt in Wassenaar begraven op 7 december 1714. Trouwen doet hij in Wassenaar op 19 november 1654  met Engeltje Francksdr Romeijn, zij is geboren in Berkel en Rodenrijs in januari 1631 als dochter van Franck Romeijn en Marijtje Leenders. Aangifte van haar overlijden wordt in Wassenaar gedaan op 4 september 1703. Samen krijgen zij 8 kinderen, Jannetje 1657, Huibertje 1658, Vranck 1659-1700, Petrus 1662, Swijbert 1662, Anna 1667, Aeltje 1669-1742 en Claes 1672-1731.

(Hoe ze aan die tweede toevoeging komen is mij nog steeds onduidelijk, heb wel van alles gelezen, maar kom er nog niet uit. Sommige familieleden gebruiken de dubbele naam anderen weer niet.)

Met hun Jongste vervolgen wij de rij: Claes Pietersz van Beijersbergen Henegouwe. hij werd geboren in Wassenaar rond 1672, aangifte van overlijden werd gedaan in Wassenaar op 19 juli 1731, hij werd in Wassenaar begraven op 20 juli 1731.  Trouwen doet hij in Wassenaar op 14 april 1697 met Crijntje Maartensdr. Van Langeveld, zij werd in Wassenaar gedoopt op 15 februari 1669 en was de dochter van Maarten Willems van Langeveld en Dirckge (ook Grietie) Cornelisdr. Van Rietbroeck. Van Crijntjes overlijden werd aangifte gedaan in Wassenaar op 16 april 1760.  Vier kinderen heb ik gevonden, Pieter 1697-1765, Maarten 1699-1761, Dirkje 1706-1744 en Willem 1710-1787.

De volgend is de jongste zoon Willem Claesz van Beijersbergen Henegouwe, hij was bouwman van beroep, en werd rond 1710 in Wassenaar geboren, hij werd begraven in Wassenaar op 30 januari 1787. Er werd R.K. getrouwt in Wassenaar op 21 juni 1733 met Cornelia Jacobsdr. Hoogduijn, zij werd geboren in Wassenaar rond 1710 , was de dochter van Jacob Pietersz Hoogduijn en Claasje Ariensdr Loos (van Rhijn) en ze overlijd in Wassenaar op 12 oktober 1802. Samen kregen zij 11 kinderen: Dijna overleden in 1784, Claes 1734, Pieter 1736-1802, Crijntje 1738-1812, Claas 1740-1802, Jacobus 1742-1801, Dirkje 1744-1816, Catharina 1746-1818, Jan 1749-1801, Geertruij 1751-1817 en Cornelia 1754-1783.

Met Jacobus (Jacob) Willemsz Beijersbergen gaan we verder, hij werd gedoopt in Wassenaar 28 april 1742, hij overlijd in Wassenaar op 12 oktober 1801, getrouwd werd er in Wassenaar op 27 mei 1770 voor het gerecht, met Adriaantje Cornelisdr. van der Bon, gedoopt werd zij in Wassenaar op 22 mei 1743 als dochter van Cornelis Joosten van der Bon en Marijtje Ariensdr van Leeuwen. Zij overlijdt in Wassenaar op 8 oktober  1833. Vier kinderen gevonden: Willem 1771-1882, Cornelis 1772-1772, Cornelis 1774 en Aelbert 1775-1778.

Willem Jacobs Beijersbergen, gedoopt in Wassenaar op 5 augustus 1771, hij overlijd in Wassenaar op 12 mei 1852 en trouwt in Wassenaar op 22 september 1793 met Maria Christina (Mietje) Deselier, zij is gedoopt in Wassenaar op 9 februari 1777 en is de dochter van Carolus (Charles) Desselier (de Sellier) komende van St Truijden in ´t Luijkse Belgié  en Cecilia Lucia Sophia Obdam  (Dit is Maria haar stiefmoeder) haar biologische moeder is Maria Claverweijde die in 1774 overleden is.  Maria overlijd in Wassenaar op 6 juni 1844. Gevonden 5 kinderen, Aaltje 1797, Hendrik1799, 
Jacobus , Maria en Pieter 1809/1884.

Hendrikus Willemsz Beijersbergen geboren in Wassenaar in 1799, hij was Stalhouder in Rotterdam,

                                                  


hij trouwt in Wassenaar op 25 mei 1820 met Magdalena Hollander, geboren in Amsterdam 1797 dochter van Cornelis Jeroensz Hollander en Alida van Boomen, op 8 november 1820 krijgen zij een zoon  en noemen hem Willem Petrus Beijersbergen maar daar heeft Magdalena niet van mogen genieten zij overlijd in Wassenaar op 12 november 1820. Hendrik trouwt 2 jaar later in Rotterdam op 6 februari 1822 met Johanna Cornelia Schuts, geboren in Rotterdam op 16 februari 1794, weduwe van Frederik Drees,
en  dochter van Matthijs Schuts en Elizabeth Keere. Zij zijn gescheiden te Rotterdam op 13 november 1837, waarna Hendrik voor de  derde keer in het huwelijksbootje treed in Rotterdam op 2 december 1840 met Maria Alida Waalboer, 



zij is geboren in Gouderak op 5 april 1811 , dochter van Bernardus Waalboer en Geertruij van Leeuwen, zij overlijd in Rotterdam op 28 juni 1850. 

Zij krijgen 1 zoon, Bernardus Hendrikus 1841, Hendrikus overlijd in Rotterdam op 21 mei 1857

                                        
.                                                 


Hierna nog de afwikkeling van de stalhouderij .







En zo zijn we dan in Rotterdam terecht gekomen, een grote drukke stad !

Bernardus Hendrikus Beijersbergen, hij werd geboren in Rotterdam op 23 december 1841, hij overlijd in Rotterdam op 21 juni 1897, trouwen doet hij in Rotterdam op 11 november 1868 met Theodora Wijmans, geboren in Rotterdam op 2 oktober 1842 , dochter van Johannes Wijman en Theodora Baak, zij krijgen 2 kinderen , Hendrikus Bernardusz. 1866- 1871 (erkend bij huwelijk)   en Marie Theodora 1869-1871, Theodora overlijd op 18 december 1871. Dat was dus een zwart jaar voor Bernardus zowel zijn twee kinderen als zijn vrouw verloren in een jaar. Gelukkig komt er een nieuwe vrouw in zijn leven en hij trouwt dan in Rotterdam op 16 oktober 1872 met Jacoba Helena Maria Antonisse, zij is geboren in Rotterdam op 11 januari 1850 als dochter van Jacob Antonie Antonisse en Johanna Catharina Maria Pluijms. Zij overlijd in Portugaal op 22 augustus 1944. Zij  krijgen 10 kinderen, Hendrikus Bernardus 1873, Jacobus Bernardus Theodorus 1874, Maria Helena Petronella 1876, Theodora Helena Pieternella 1878, Pieter Jacobus Leendert Bernardus 1883, Bernardus Hendrikus Theodorus 1884, Theodorus Jacobus Marie 1886, Bernardus Hendrikus Bernardus 1887, Johan Marie Petrus 1889 en Maria Johanna Helena 1891.

Jacobus Bernardus Theodorus Beijersbergen, geboren in Rotterdam op 25 oktober 1874, hij overlijd in Portugaal op 7 januari 1855 en trouwt in Rotterdam 10 maart 1897 met Tonia de Graaf, zij is geboren in Rotterdam op 13 december 1867 als dochter van Johannes de Graaf en Nansje Tonia Chabot, zij overlijd in Rotterdam op 26 maart 1964. Ik heb zeven kinderen gevonden, Jacobus Johannes 1897 in Rotterdam, Johannes Marie Ferdinand 1898 in Rotterdam Tonia Jacoba Maria 1899-1900 drie maanden oud in Rotterdam, Marinus Johannes Cornelis 1901 in Rotterdam, Nansje Antonia Maria 1902 in Deventer, Marinus Johannes Cornelis 1906 in  s´Gravenhage en Johanna Tonia 1912 in Rotterdam.

Johannes Maria Ferdinand Beijersbergen, geboren in Rotterdam op 5 augustus 1898, hij is overleden op Zee op 14 oktober 1954, hij trouwt in Rotterdam op 20 maart 1918 met Belia de Graaf, zij is geboren in Rotterdam op 18 november 1898 als dochter van Cornelis Willem Lodewijk de Graaf en Johanna Maria van der Stek, ik vind een dochter Johanna Maria 1922, Belia trouwt de tweede keer op 7 februari 1973 met Arend Volwerk. Zij overlijd in Rotterdam op 9 augustus 1983.

Johanna Maria Beijersbergen, geboren in Rotterdam op 16 september 1922, zij trouwt in Rotterdam 3 augustus 1940 met Adrianus van Oldenbarneveld genaamd Witte Tullingh. Verder niets bekend over dit echtpaar behalve dat zij samen 9 kinderen krijgen.
                                                         




               


dinsdag 19 juli 2016

de familie Boon uit Wervershoof



De familie Boon hoort bij de genealogie van onze kleinzoons uit West- friesland. Ook erg leuk om die uit te zoeken want dan kom je weer eens andere namen tegen. Ik had van deze familie al heel wat bij elkaar gestruind, eerst via het internet en later bij controle van de gegevens via zoek akten.nl. Soms had ik rare gegevens bv. over een bruid van 8 jaar??? Maar ja daarom is het ook belangrijk om alle gegevens steeds weer na te kijken. Want dat klopte natuurlijk voor geen meter en dat bleek ook wel weer. Dat is dus ook weer keurig bijgewerkt.
Ondertussen kwam ik ook op een hele leuke site betreffende deze tak van de familie. https://paulaboonverhalen.wordpress.com/ Haar tak is dezelfde als die van ons met als laatste niet Marijtje Boon maar met de broer van Marijtje Johannes (Jan) Boon. Paula haar tak gaat verder tot aan onze tijd. Terwijl ik met Marijtje ga eindigen, omdat ze trouwt en haar kinderen een andere achternaam krijgen.
Verder is er nog heel veel te vinden van de familie want die is best heel erg groot. Dus staat er niets van jouw tak bij ga gewoon eens surfen op het net, geheid dat je dan wat tegenkomt. 

Wij beginnen met:


·        1.Claas Willibrordis, 1 zoon.
·         
·        2.Meindert Claas, geboren ongeveer 1635, hij trouwt met Anna Egges ( Anna Aegidii)  geboren rond 1630 ,zij is de dochter van Egge Jans en Anna Jans. Zij moeten zijn getrouwd rond 1655 want dan wordt hun eerste kind geboren. Uit dit huwelijk zijn 14 kinderen bekend.

Grietje Meindertdr.1655, Claes Meindertsz. 1657, Johannes Meindertsz. 1658, Cornelis Meindertsz. 1660-1661, Cornelis Meindertsz. 1661, Maartje Meindertdr. 1661-1670, (Cornelis en Maartje tweeling) Pieter Meindertsz. 1663, Gerrit Meindertsz. 1665-1670, Aaf Meindertdr 1667-1725,Claas Meindertsz. 1669, Maartje Meindertdr. 1670, Barbera Meindertdr 1670, Tecla Meindertdr. 1674 en Gerrit Meindertsz. 1677.

·        3.Met Johannes Meindertsz. gaan we verder, hij is geboren in Bangerd op 17 februari 1659, (aangegeven door Sijtje Cornelis) en hij werd gedoopt in Wervershoof op 17 februari 1659, hij trouwt (ongeveer 1693) met Agatha Pieters, zij is geboren rond 1675 als dochter van Pieter Cornelis Euverts en Maartje Sijmons, Agatha is begraven in Wervershoof op 29 augustus 1748. Uit dit huwelijk zijn 5 kinderen bekend. 

Maria Jans 1693, Cornelis Jansz. 1695, Meindert Jansz. 1698, Maartje Jansdr. 1700  en Margaretha Jansdr. 1704

·        4. Meindert Jansz. Boon (We vinden vanaf nu de naam Boon geregistreerd) geboren is hij Bangert (Andijk) op 23 oktober 1698, (aangegeven door Brigitta (Bregtje) Jans) en gedoopt wordt hij op 23 oktober 1698, hij overlijd in Andijk. Trouwen doet hij in Wervershoof op 28 januari 1737 in de Werenfriduskerk en betaalt dan samen met zijn bruid aan impost 2x fl 3,-,de naam van de bruid is Trijn Jacobs dochter van Simon Jacobsz en Marij Pieters, zij wordt geboren te Andijk op 31 augustus 1710 en gedoopt in de Buurtjeskerk op 31 oktober 1710, zij overlijd in Andijk. Uit dit huwelijk 5 kinderen bekend.

Tecla 1725-1766, Anna 1729, Claas 1730, Meinouwtje 1731 en Jacob 1738-1826.

·        5. Jacob Meindert Boon, geboren Oosteind op 6 januari 1738 en gedoopt te Onderdijk op dezelfde dag. Hij overlijd in Bovenkarspel op 4 februari 1826. Zijn beroepen waren bouman en later Kaagschipper. (Een Kaagschip is een klein vaartuig waar je goederen en mensen mee kan vervoeren.) zijn ondertrouw gevonden in Medenblik/Wervershoof op 11 januari 1771, trouwen doet hij in Wervershoof in de Werenfriduskerk op  28 januari 1771 met Marijtje ( Maria, Maartje, Marij Crelis) Cornelis Bullooper, geboren in Wervershoof als dochter van Cornelis Alders Bullooper en Dina Seegers (Segerius) gedoopt werd zij in 1751 in Andijk, zij overlijd in Bovenkarspel op 31 oktober 1829. Uit dit huwelijk zijn 12 kinderen bekend.
      Dit is een Kaagschip
Meindert 1772, Trijntje 1773, Diewertje 1774-1842, Trijntje 1775, Anna 1776, Marijtje 1778,        Cornelis 1779-1853, Joannes 1781-1834, Paulus 1782, Meindert 1784, Anna 1782-1823                     en Paulus 1789.

·        6. Joannnes Jacobsz. Boon, roepnaam Jan, hij werd geboren in Wervershoof op 30 juli 1781 en daar ook dezelfde dag gedoopt, met als getuige Aaltje Krelis Bullooper,  hij overlijd in Bovenkarspel in oktober 1834. Hij was koopman en bouwer van beroep. Trouwen doet hij ook, in Bovenkarspel op 19 januari 1806  naam van de bruid is Marijtje (Maartje) Jacobs Schoof, gedoopt in Bovenkarspel op 4 oktober 1783  als dochter van Jacob Schoof en Maartje Cornelisdr. Groot.  Marijtje is Diensmeid, landbouwster in 1840 en koopvrouw in 1841-1848, zij overlijd in Bovenkarspel op 12 sepember 1849.  Op haar overlijdensakte staat haar moeder genoemd als Grietje Jans. Uit dit huwelijk 8 kinderen.

Jacob 1808-1825, Jan 1811-1888,Meindert 1813-1881, Klaas 1816-1853, Paulus 1819-1865,              Dirk 1821-1892, Maarten 1824-1863, Jacob 1828.  

·        7. Johannes (Jan) Boon, geboren en gedoopt te Bovenkarspel op 13 juni 1811.  Hij is landbouwer van beroep, hij overlijd in Bovenkarspel op 13 oktober 1888. Hij trouwt in Bovenkarspel op 3 mei 1840 met Geertrudis (Geertje) Metselaar (Metzelaar) geboren in Hoogkarspel op 28 december 1820, als dochter van Jan Hendrik Metselaar en Trijntje Komen. Zij is in 1840 dienstbode., ze overlijd in Bovenkarspel op 20 juni 1901. Uit dit huwelijk zijn 8 kinderen bekend.

Johannes 1841-1921, Willem 1845, Jacob 1848-1916, Marijtje 1852-1914, Klaas 1855-1938,         Petrus 1862-1862, Martinus 1864, Trijntje 1865-1865.

 8. Marijtje Boon, geboren in Bovenkarspel op 9 februari 1852 en overleden in Bovenkarspel op 27 oktober 1914. Zij trouwt in Bovenkarspel op 19 april 1874 met Jacob Fit, geboren in Bovenkarspel op 24 maart 1846 als zoon van Fredericus Fit en Antje Roos. Hij overlijd in Bovenkarspel op 5 februari 1916. Uit dit huwelijk zijn 7 kinderen bekend.





zondag 17 juli 2016

Bakkershaven Schiedam toen en nu

Een tweetal maanden geleden was mijn zwager zoveel jaar in dienst bij de Glasfabriek in Schiedam. Hij had geregeld dat zijn familie werd rondgeleid en zo kregen wij een beetje inzicht in het werk wat daar verzet wordt. Later realiseerde ik mij dat de glasfabriek van nu op mijn stukje geboortegrond
staat. Raar idee dat je op een modern bedrijf rondloopt en er 66 jaar geleden een hofje bestond waar ik geboren bent.

Het heette toen en nu ook nog Bakkershaven. Er is een prachtig schilderij van de Bakkerhaven.

Bakkershaven 1948 penseel en waterverf  W.M. Strörmann
De Bakkershaven was een afwateringssloot van de Groenedijk en de daarachter gelegen boezem van de polder Nieuw–Mathenesse naar de buitenhaven.

Aan de ene kant van Bakkershaven lag het Nieuwsticht.
Aan de stadskant lag de Bakkersstraat tegen het complex van de Kuyper aan.

De bebouwing van de Bakkersstraat was rond 1900 aan de kant van Bakkershaven nog veelal voor bewoning bedoeld. Aan de kant van de Kuyper was er helemaal achteraan tegen de Groenedijk op nummer 21 een hofje met aan twee kanten piepkleine huizen.

In 1950 was mede door de omvorming van de Groenedijk tot Nieuw–Mathenesserstraat het hofje gesloopt voor nieuwbouw op die dijk.
De bebouwing aan de kant van Bakkershaven bestond nog wel maar werd niet meer bewoond.
Bakkershaven

ik samen met mijn moeder Lena Harte voor de deur van ons huis op de Bakkershaven in 1950






Deze foto moet waarschijnlijk nog net voor de sloop gemaakt. Mijn ouders woonden hier na in het Nieuwsticht midden een kleine 200 meter verderop.

En nu ziet mijn geboortegrond er zo uit en liep ik daar anno 2016 onbevangen rond. Omdat ik niet door had hoe bijzonder het eigenlijk was.


zaterdag 16 juli 2016

Over de moord op Jan (Johannes) Houdtsagers

Dit proza hoort bij de familie Houdtzager en vertelt in grote lijnen over de moord op Jan Houdtzager. Ik vond dit verhaal op het internet geschreven door Peter Houdtzager die het in 2006 op het internet heeft gezet. Ik heb het zonder veranderingen overgenomen en hier geplaatst om het verhaal compleet te maken.

Wat gebeurde er tussen 29 mei en 4 juni 1711 in Tiel?

De dood van Jan Houdsager, *1,*2,*3

Het is vrijdag 29 mei 1711. Het onweert flink.
Aan de Waterstraat in Tiel, in de herberg den Emaus (alwaer de Emausgangers uijthangen), *4) toebehorend aan de weduwe van Daniel Hamaackers, staan zoon en dochter Peter en Teuntie Hamaackers aan de tap.

Het is tussen vijf en zes uur ’s middags. Tegenwoordig zouden we het happy hour noemen, maar voor onze stamvader Jan zou dit uur noodlottig worden. 
Jan Houtsager stapt de gelagkamer binnen, waar hij de broers Rutger en Gerrit Noot aantreft, die voor het noodweer naar binnen gevlucht zijn.
Jan bestelt een kan bier.
Rutger is slecht gehumeurd en zit te mopperen.
Dan vindt de volgende woordenwisseling plaats: 

Jan Houtsager: “Well pratt den beer noch all
*5)

Rutger Noot: “Wie is den beer?”

Jan Houtsager:  “Ick en kenne genen beer
*6)

Rutger Noot:  “Ghij sijt een schelm.”
Volgens Jan zelf stelt hij hierna Rutger twee keer voor samen een glas te drinken en vrede te sluiten, maar weigert Rutger dit. 
Jan Houtsager:  “Well Noot wass 't niet beter dat wij onse quaestie afdroncken, soo er eenige mochten sijn geweest?”
Rutger Noot:   “Neen, ick en suijp met geen schelm.” 

Jan repliceert dat hij nooit een schelm geweest, Rutger herhaalt dat hij dit wel is en – eerlijk is eerlijk – het is Jan die begint met knokken: hij geeft Rutger “een soeflett” (een klap in het gezicht). Hierop raken zij handgemeen en worden ze door de andere aanwezigen uit elkaar gehaald.
Als Jan even later de gelagkamer verlaat – misschien wil hij, na het ledigen van zijn kan bier, een bezoek brengen aan “het gemackjen” – loopt Rutgers broer Gerrit Noot hem na en bewerkt met een steekwapen (dat Rutger volgens sommige getuigen even tevoren van huis gehaald heeft) Jans arm en buik.
Dit laatste doet hij zo grondig, dat Jans darmen “uijt den buijck puijlden”.

Jan verlaat de herberg, daarbij roepend “O, mijn Godt, O mijn Godt, hoe ben ick gestoocken!”

Hij komt Hendrick van Maastrigt tegen, die juist de herberg binnengaat, en vraagt deze zijn vrienden binnen voor altijd goede nacht te wensen.
Hendrik loopt de herberg binnen en zegt tegen de aanwezigen: “O Godt t' is nu niet qualick gemaackt, daar is Johan Houtsager door Girrit Noot all dwars doorstoocken, en geseijt dat ick alle goede vrienden sou genagt wenschen tot in eeuwigheijt.” *7) 

Volgens sommigen volgt Gerrit Jan nog de straat op om zijn karwei af te maken, maar wordt hij door derden tegengehouden en Jan wordt het huis van Willem van Arckel binnengebracht.
Om half acht leeft Jan nog, want dan komen bij hem thuis een commissaris (van politie?) en een apotheker langs en vertelt hij hun zijn kant van het verhaal.
Wanneer hij precies overlijdt is niet duidelijk, maar op 4 juni 1711 wordt hij begraven, na voor 18 gulden “overluid” te zijn (de kerkklokken zijn voor hem geluid).
Zijn vrouw Mijntje Beumers blijft achter met zoon Hendrik, die nog een baby is (dochter Lijsbeth is al in haar eerste levensjaar overleden).

Voorgeschiedenis
Het meest verbazende aan dit verhaal is volgens mij de snelheid waarmee, en de mate waarin het conflict escaleert: van een grapje tot een bloedbad.
Zelfs als men aanneemt – zoals door sommige getuigen verklaard wordt – dat Jan niet alleen een grapje maakte maar dronken en op confrontatie uit was, Rutger zat te sarren en hem meerdere malen hardhandig tegen de borst heeft gepord, *8) lijkt het nogal overdreven om hem, terwijl hij ongewapend is en op dat moment geen fysieke bedreiging vormt, de buik open te rijten, zeker wanneer men bedenkt dat men in die dagen voor dit soort vergrijpen de doodstraf riskeerde.
Je zou bijna zeggen dat aan deze ontmoeting iets voorafgegaan moet zijn waardoor Jan en de gebroeders Noot gezworen vijanden waren, dat er iets gewroken moest worden. 

De verklaringen van Gerrit Noot zelf over het gebeurde lijken daar aanknopingspunten voor te bieden.*9)
Hij zegt dat hij en zijn broer 11 dagen eerder, op 18 mei, in de herberg van Willem van Leeuwen (alwaer den Ancker uijthangt) werden aangevallen door een groep mensen, onder wie Jan Houtsager, die riep “Sla dood, sla dood!”.
Het zou kortom niets minder dan een lynchpartij geweest zijn, waarbij Gerrit een oog en zijn gehoor verloren zou hebben.
Gerrit zou van het incident aangifte hebben gedaan, maar de autoriteiten zouden geen maatregelen hebben genomen, en de schuldigen zouden nog steeds ongestraft rondlopen en doorgaan met hun misdragingen.

Terug naar 29 mei, de dag van de steekpartij, maar nu in de lezing van Gerrit Noot: op die dag zouden zijn broer en hij in de herberg hebben gescholen voor het onweer, toen Jan Houtsager met zijn handlangers uit het huis van Willem van Leeuwen, herbergier van Het Ancker, kwam, de herberg binnenliep en zich zo agressief tegen hen gedroeg dat zij voor hun leven vreesden.
Hij, nog zwak van de gebeurtenissen van nog geen twee weken geleden, zou met een mes zijn leven verdedigd hebben.

De gewelddadige intenties van Jan Houtsager en zijn trawanten worden bevestigd door een andere getuige, die heeft het over een kameraad van Jan (Gerardus Sickel) die een mes heeft en naar de herberg gekomen is om het te gebruiken.
Deze man zou, volgens dezelfde getuige, teleurgesteld zijn geweest dat Jan zo snel was uitgeschakeld: hij had zich verheugd op een wat uitgebreidere steekpartij. Nu ligt het voor de hand dat de direct betrokkenen en hun vrienden van alles hebben verzonnen om de andere partij zwart te maken en hun eigen partij onschuldig te doen lijken (dit geldt zowel voor Jan en zijn kameraden als voor de “Noten”), maar het verhaal dat Jan Houtsager Gerrit Noot bij een eerdere gelegenheid iets ernstigs misdaan is in die zin geloofwaardig, dat het de gang van zaken op 29 mei op een natuurlijke manier verklaart. 

Misschien was er geen sprake van noodweer, zoals Gerrit Noot beweerde, maar van een wraakactie.
Eigen rechter spelen is natuurlijk niet toegestaan, maar als het waar is dat Gerrit door Jan zo ernstig verminkt was, dan zijn woede en wraaklust van de kant van Gerrit zeer voorstelbaar.

Tot slot

Er zijn geen processtukken voorhanden. De verdere levensloop van Gerrit en Rutger doet vermoeden dat het beroep op noodweer is aanvaard en dat zij niet gestraft zijn, misschien zelfs niet vervolgd.
Helemaal helder is de zaak niet. In de verklaring van Gerrit Noot over de lynchpartij op 18 mei worden geen getuigen genoemd. 

In een later stuk van zijn advocaat is wel sprake van (weigerachtige) getuigen, maar het is niet duidelijk op welke gebeurtenissen hun getuigenissen betrekking hadden moeten hebben.
Je zou je kunnen afvragen of, indien het verhaal over de lynchpartij werkelijk waar was, de autoriteiten er geen werk van gemaakt zouden hebben. 

Een incident als dat kan niet onopgemerkt gebleven zijn en zelfs als de meeste getuigen onwillig waren (de meesten hadden waarschijnlijk zelf meegedaan), zal zoveel rumoer toch de aandacht van passanten en omwonenden hebben getrokken. 

Men zou kunnen denken dat de stadsbewoners misschien bang waren voor Jan en de zijnen
*10) , maar uit de getuigenverklaringen over de steekpartij van 29 mei blijkt dat de daar aanwezigen wel degelijk bereid waren om verklaringen af te leggen die voor deze mensen belastend waren. 

Ook zou een spitsvondige jurist waarschijnlijk korte metten  hebben gemaakt met de bewering van Gerrit Noot, die immers zijn gehoor verloren was, dat hij Jan Houtzager enige keren tegen zijn broer heeft horen zeggen “Den beer die prat”.
We zullen er ons waarschijnlijk bij neer moeten leggen dat we nooit achter de volledige waarheid zullen komen. 

Ik denk niet dat enig politieteam bereid zou zijn deze cold case te heropenen. Wat duidelijk lijkt is dat deze mensen geen lieverdjes waren, ook geen pijprokende intellectuelen, maar vrij ruig volk *
11) en ook dat er tussen Gerrit en Jan op zijn minst “oud zeer” bestond. Misschien is er in de Waterstraat in Tiel nog een horeca-gelegenheid te vinden waar we enkele vertegenwoordigers van beide families kunnen verzamelen en het geval alsnog afdrinken. Beter laat dan nooit.

Peter Houtzagers
22 januari 2006

--------------------------------------------------------------------------
1.  

1.    1. Met dank aan Rinus Baggerman en Arie Noot.

2.     2. Het nu volgende is een reconstructie op grond van het gerechtelijk vooronderzoek. Natuurlijk verschillen de  getuigenverklaringen en is lang niet alles eenduidig.

3.    3.Jans achternaam wordt meestal zonder -saan het eind gespeld. Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 wordt een gedeelte van zijn nageslacht officieel met -s geregistreerd, een ander gedeelte zonder. De rest van de naam wordt tot 1811 volkomen willekeurig geschreven: Houtsagers, Houdtzaagers, alle denkbare spellingen komen voor.

4.    4. Het gaat hier om een uithangbord met een afbeelding van de Emmaüsgangers (zie o.a. Lucas 24:13-35). Het beeld van de Emmaüsgangers, vredig aan tafel met Jezus, staat in schril contrast met de rauwe gebeurtenissen die gaan volgen.

5.   5.  Waarschijnlijk betekent dit zoiets als ‘Wel wel, de beer zit lekker te mokken’. Pratten betekent volgens Van Dale ‘mokken, pruilen’. In zijn verweer heeft Gerrit Noot het over praten (… den beer die praet…). Het brommende geluid dat Rutger maakt is waarschijnlijk de reden waarom Jan hem een beer noemt.
Volgens sommige getuigen zou Jan hem hierbij – eenmaal of vaker, kameraadschappelijk of juist hardhandig – tegen de borst hebben gestoten.
6.      
6.     6. Dit zou kunnen beduiden: ‘Ik ken geen beer, natuurlijk bedoel ik jou’. Volgens anderen zou Jan hebben gezegd: Ick en ben geenen beer ‘Ik ben geen beer (dus zul jij wel de beer zijn)’. Weer anderen hebben iets geheel anders gehoord, nl. Hontsvot, daer meen ick U mede, wat natuurlijk nogal aggressief zou zijn en niet in overeenstemming met Jans verhaal achteraf dat hij alleen een grapje wilde maken.

7.   7. Gevoel voor drama kan Jan niet worden ontzegd, maar gezien de omstandigheden (je zult maar met uitpuilende darmen over straat lopen) is het hem moeilijk kwalijk te nemen. 

8.    8.Teuntie of Peter Hamaackers zou tegen Jan hebben gevraagd “wat dat hij met sijn droncke gat daer rusie off questie quam te maken, dat hij wederom soude gaan inde herberge, daer hij vandaen gekomen was, en dat de Noten aldaer stil en gerust waeren.”
Dat sonder aen imandt offensie te geven off eenige de minste schijn van rede daer toe, veele van het daer te saeme gekomene geselschap den supplt. en sijn voorn. broeder Rutger Nooth, op het lijff sijn gevallen, vervolgens den suppliant buijten de deur gesleept, over de straet en keijen heen en weer geslingert, met stocken en trappen met voeten ellendigh gequetst, sijn een oogh uijtgeslagen, en sijn hooft soo arbarmlick gekneust, als of hij was geweest onder de wiltste en barbaarste menschen des werelts, hebbende aen haer niet gemancqueert den suppliant, als rabrakende vant leven ter doot te brengen, roepende eenen Jan Houtsager, sla doot, sla doot, hebbende een ront hout in de hant, om den supplt. daermede de rest te geven, indien door tusschen schietende andere menschen buijten dat geselschap niet was worden belet, waer door den suppliant de onbeschrijflickste pijn des werelts heeft uijtgestaan, sijn gehoor daer mede verloren, en noch in perikel is over dit voorgenomene assassinaat te sullen moeten sterven. 

9.    9.De verklaringen van de gebroeders Noot zijn te vinden in een verzoekschrift van hun advocaat aan de rechtbank om hen niet te vervolgen omdat zij zouden hebben gehandeld uit noodweer.

1   10.  Van Jan is bekend dat hij met met de waarheid niet altijd zo nauw nam (zie de informatie over hem in zijn parenteel).

1.  11. Interessant in dit opzicht is het detail dat de eerdergenoemde Gerardus Sickel een pruik droeg, want die werd hem op een gegeven moment van het hoofd getrokken. Blijkbaar was het dragen van pruiken niet voorbehouden aan de hoogste klassen.