dinsdag 14 augustus 2012

Groot gezin

Nog niet zo heel erg lang geleden was een groot gezin heel gewoon. Maar vooral goed Katholieke gezinnen hadden meestal veel kinderen. Ook in onze genealogie kom ik ze regelmatig tegen, maar deze spant de kroon , met wel 17 kinderen. Mijn hemel, en ik vond dat ik het druk had met 2 kinderen!!!!

Adrianus Johannes van der Valk, hij is tuinier en akkerbouwer, en geboren in Naaldwijk op 24 juni 1802, hij woont en  werkt in Naaldwijk en heeft 3 inwonende knnechten, te weten: Bartholomeus Pelemeijer, geboren te Maassluis in 1829, Pieter Greve, geboren in Monster in 1827 en Arie Nederpelt, geboren in Loosduinen in 1837, Hij trouwt in Poeldijk op 22 mei 1831 met Cornelia de Winter, akkerbouwster, geboren in Loosduinen op 24 november 1808, dochter van Adrianus de Winter en Cornelia Schravenmade ( s'Gravenmade), Adrianus overlijd in Naaldwijk op 20 maart 1862, 60 jaar oud, waarna we Cornelia terug vinden met 8 van haar kinderen op het adres Mariëendijk 72 met 2 dienstbode's; Catharina van der Hout, geboren Hof van Deft in 1856, en Theodora Zijgermaat, geboren Monster in 1847, beide vertrokken in 1875. Cornelia is toen in 1875 met haar zoon Johannes ingetrokken bij haar jongste zoon Adrianus en zijn vrouw Cornelia Meurs, op Mariéendijk 83/88. Johannes woonde later op zichzelf op Mariëendijk 79.Cornelia overlijd Zoeterwoude op 28 maart 1881, 72 jaar oud.

De kinderen: Hillegonda Johanna Clara 1831, Cornelia Maria 1832, Adrianus en zijn tweelingbroer Wilhelmus in 1833, Cornelis 1835, Maria Catharina 1836, Adriana Maria 1837, Franciscus Anthonius 1838, Johannes 1840, Gerarda 1841, Dorethea 1842, Cataharina 1843, Cornelis 1844, Simon 1845, Johannes 1847, Cornelia 1849, Adrianaus 1850.

Mariëendijk is een buurtschap in de gemeente Westland (de glazen stad) en is een langerekte straat, waar nu tegenwoordig veel grote huizen met kassen staan.

zondag 12 augustus 2012

speld in de hooiberg

Zoekende naar Maria Adriana Hofstede ben ik. Genlias geeft geen uitsluiting, en Archief Kennermerland niet, archief Haarlem niet, een aantal genealogieën  Hofstede heb ik in bezit maar ook daar is zij niet te vinden. Het internet heb ik afgeschuimd en toch blijft zij onzichtbaar.

Wat ik wel van haar weet: Maria Adrina Hofstede, geboren 24 oktober 1863, komende uit de Haarlemmermeer, zij ging op 23 mei 1865 inwonen bij Simon van der Valk en Cornelia van der Knaap, waar zij vermeld wordt als dienstbode. (beetje raar is dat wel, maar ze heeft 18 jaar bij dit echtpaar gewoond), Op 15 maart 1883 vertrok Maria naar de Haarlemmermeer. Daarna is zij gewoon spoorloos.

Was zij een nichtje? Hofstede komt voor in de genealogie vam Simon van der Valk. Waarom kwam zij als 2 jarige in dit gezin?  Wie waren haar ouders? Vragen, vragen....vragen.

Dus als iemand dit leest en haar misschien wel gevonden heeft, of weet waar ik eventueel verder kan zoeken naar Maria, laat het me dan weten.

donderdag 9 augustus 2012

Stamreeks IV van der Valk


                      familie Hendrikus Holierhoek-Apolonia van der Valk dr. van Simon van der Valk en Cornelia van der Knaap.

 
Deze familie van der Valk begint in het plaatsje Monster. Monster ligt in het Westland. En hoort nu bij de gemeente Westland.
De eerste bewijsbare voorvader is:
Willem Claesz. van der Valk, van beroep Schipper/bouwman en getrouwd met Grietje Adriaensdr van der Salm, geboren in Monster ca. 1609 als dochter van Adriaen Willemsz. Van der Salm (de oude) en Lijsbeth Cornelisdr. Van dit gezin heb ik 1 kind , een zoon gevonden.
Claes Willem van der Valk ,geboren Kwintsheul ca. 1645, van beroep Schipper/Bouwman, overleden in Poeldijk op 20 maart 1716, begraven te Kwintsheul op 20 maart 1716, In monster ging hij in ondertrouw op 15 januari 1687 en trouwt met Grietje Dirkx Brouwer, geboren in Monster als dochter van Dirk Cornelisz Brouwer (bouwman en bijman (bijenhouder) en Maertge Fransdr. Van der Meer.  Samen hadden zij 3 kinderen.
Willem Claes van der Valk werd gedoopt in Wateringen op 29 april 1694, hij overlijd in Naaldwijk op 27 februari 1751 en begraven in Poeldijk op 6 maart 1751, trouwen doet hij in Poeldijk op 14 januari 1725 met Trijntje Jans van de Drift, die geboren werd Eikenduinen (den Haag) op 23 november 1698, als dochter van Jan Arisse van de Drift en Neeltje Ariens van der Droogh., Trijntje  werd gedoopt in Eikenduinen op 6 maart 1700, zij overlijd  in Naaldwijk op 10 juli 1770. Samen kregen zij 12 kinderen.
Hun zoon Arij van der Valk, werd geboren in Wateringen en gedoopt in Monster op 16 maart 1731, Hij overlijd in Monster op 23 december 1797 en wordt op 29 december begraven in Delft. Hij trouwt in Monster, toestemming voor dit huwelijk is 14 april 1759 verkregen te Naaldwijk, met Catharina (Trijntje) van der Leede, die geboren werd te Pijnacker rond 1730, als dochter van Cornelis de Leede en Matje Korse Oosterveen, zij overlijd Loosduinen (Kwintsheul) op 28 februari 1814 samen krijgen zij 6 kinderen.
 Zoon Willem Arisse van der Valk, van hem heb ik al helemaal niet zoveel kunnen vinden, dan alleen het volgende,  geboren in de Broek, gedoopt in Monster op 3 april 1768, overleden in Naaldwijk  18 september 1852, hij trouwt met Hilegonda Hofstede (Hilletje Cornelisse) , geboren Rijswijk 7 februari 1768, als dochter van Cornelis Pieter Hofstede en Adriana Suiker, Hilletje overlijd in Naaldwijk op 7 maart 1824. Van hen heb ik 3 kinderen gevonden.
Adrianus Johannes (Arie) van der Valk, geboren Naaldwijk op 24 juni 1802, van beroep Tuinier/Akkerbouwer, oveerleden Naaldwijk 20 maart 1862, trouwen doet hij in Loosduinen op 22 mei 1831 met Cornelia de Winter, geboren  Loosduinen 24 november 1808, als dochter van Adrianus de Winter en Cornelis van Schravenmade, Cornelia overlijd in Zoeterwoude op 28 maart 1881. Samen kregen zij een groot gezin met wel 17 kinderen.
Simon van der Valk en Cornelia Johanna van der Knaap volgen dan, van dit gezin  heb ik alles al eerder uitgebreid neergezet. Zie Simon van der Valk en Zouaven uit Poeldijk.

noot van Lenie:
Na een opmerking (zie hier onder) van Peter van der Valk, heb ik goed gespit in mijn gegevens en kwam tot de conclusie dat het bewijs van de hier eerder geplaatste voorvaderen, die ik voor Willem Claes van der Valk en Grietje van der Salm had neergeschreven wel heel erg dun was. Dus heb ik ze verwijderd. Mocht ik de bewijzen nog vinden dan vul ik het natuurlijk weer aan.

Ausweis oftewel persoonsbewijs.



De tweede wereldoorlog, buiten de grote dingen die er gebeurde hadden de gewone gezinnen hun eigen sores. Als schoolmeisje op de middelbare school moest ik een opdracht uitvoeren over de tweede wereldoorlog. Natuurlijk had ik wel verhalen gehoord van deze tijd. Niet zo verwonderlijk als je net na de oorlog geboren bent. Maar je er in verdiepen deed je niet. En nu moest ik wel. Dus eerst bij vader inlichtingen gehaald, die hij met grote moeite vertelde.Hij was te werk gesteld in Duitsland en vind dat nog steeds een vreselijke tijd.  Hij vertelde het verhaal  over zijn broer Anton (Toon) die in 1942 werd opgepakt bij een razzia in Rotterdam en nooit meer terug keerde. Een vrouw en kind achterlatend en na de oorlog als vermist werd geregistreerd. Bij opa Harte werd verteld over het werken in Duitsland, als kok had hij in een werkkamp gewerkt. Het verhaal van de broer die in een concentratiekamp is overleden. Van oma hoorde ik dat zij de grootste moeite had om al haar kinderen te eten te geven, Honger was dan ook heel gewoon. En zonder man was het dubbel zo erg. En over de pijn van het verlies van haar oudste zoon.  Bij mijn andere grootouders, hoorde ik ook de verhalen over honger, ook al hadden zij het als middenstanders en met familie die stukjes grond hadden waar men groente en aardappelen op teelde, minder te verduren dan mijn andere grootouders. Maar deze opa ging toch met een grote zaag de weg op om zoveel mogelijk hout te vergaren voor het kacheltje.
De tramrails en bomen waren daar de geschikste dingen voor. Maar je moest wel uit kijken voor de gendarmerie en de "moffen". Van opa Streefkerk kreeg ik toen zijn "auswijs"  die ik toen al heel goed hebt bewaard. Van oma Streefkerk hoorde ik hoe bang zij altijd was als er een bombardement was en hoe ze dan met haar kinderen een veilig plekje probeerde te vinden. Dat ze zo'n ontzettende hekel had aan al die bonnen die je moest uitknippen en plakken om aan eten te komen. Al dat werk voor een klein beetje eten.
Mijn moeder had haar eigen verhaal, zij had nl een zoontje gekregen van een Oostenrijker die in Vlaardingen gelegerd was. Wat foei, zij hield het met een man van de verkeerde kant. Al was hij dan geen duitser en geiínterneerd door de duitse werhmacht, het was eigenlijk "not done". Toen haar zoontje er was en zij niets meer van de vader hoorde, die later als vermist  werd geregistreerd tijdens het oostfront offensief is zij met die baby met de trein naar Oostenrijk vertrokken, waar zij een paar maanden bij de familie van Joep zoals de man heette heeft gelogeerd. Op de terug reis was zij wel heel erg bang geweest, omdat de trein gebombardeerd werd waar zij in zat. En zij met de baby een veilig heenkomen moest zoeken in de greppels langs de kant. Het rare is, dat mijn moeder het altijd over Oostenrijk heeft gehad, terwijl op haar persoonsbewijs een adres in Zwitserland staat. ?????

Zomaar wat losse dingetjes die ik te horen kreeg en waar ik dus een werkstukje van gemaakt hebt. Dat werkstukje zal misschien nog wel ergens in de schoolmappen van de school liggen. Ik heb het in ieder geval niet meer. Ook was ik best wel onder de indruk van deze verhalen. Want al deze losse aantekeningen zitten nu nog steeds in een mapje, die ik dus heel goed bewaard hebt.

persoonsbewijs van mijn moeder Lena Streefkerk.
het persoonsbewijs van opa Streefkerk.

Een Ausweis is vaak verward met het Nederlandse Persoonsbewijs in de Tweede Wereldoorlog dat overigens door een Nederlandse ambtenaar al voor de oorlog werd uitgevonden. Wie dus moest werken gedurende de spertijd moest dus twee bewijzen op zak hebben: een Persoonsbewijs en een Ausweis.
Een Ausweis is dus niet hetzelfde als een Persoonsbewijs, hoewel beide documenten vaak met hetzelfde woord worden aangeduid.

woensdag 8 augustus 2012

Een niet-Jood verklaring.



De oorlog 1940/45 ging ook in onze familie niet zomaar voorbij. Er zijn twee mannen overleden in een concentratiekamp er is een man vermist, familieleden hebben moeten werken in Duitsland.
Ik vond in het archief een paar formulieren die ik in eerste instantie niet herkende. Wat waren dit voor papieren?  Ze waren van Marius Sara Harte, zoon van Cornelis en Catharina Kilsdonk. Hij was toenmaals politieagent . Het was een vragenlijst, met één opvallende vraag erin, nl. deze: Stamt gij van Joodsche ouders of grootouders af? Navraag bij het cbg gaf duidelijkheid. Deze vragenlijst behoorde bij een niet-Jood verklaring.  Het eerste blad,  de verklaring zat er niet bij, maar het CBG had voor mij wel een scan van zo'n verklaring.
 


Deze niet joodverklaring werd door de Duitse bezetter  ingesteld. Vóór 26 oktober 1940 moesten alle ambtenaren zo’n verklaring tekenen. Wie één of meer Joodse grootouders had – dat wil zeggen een grootouder die tot de Joodse gemeente had behoord – werd als Jood beschouwd en moest formulier B (niet-  arisch) insturen. Niet-Joden  moesten formulier A (arisch) insturen. Met deze verklaring wilden de Duitse autoriteiten een inventarisatie maken van wie wel en niet-Joods was.Mensen met Joodse voorouders weden kort na het invullen van de formulieren ontslagen.
Wie in de ogen van de bezetter Jood was, werd bepaald in Verordening 189/1940. Er werd in ons land wel geprotesteerd tegen deze verklaring. Maar blijkbaar hebben veel mensen deze toch ingevuld. Waaronder dus ook één familielid.

maandag 6 augustus 2012

Een tweede stamreeks Harte nr III, waaruit een minister voortkwam.

Wie had kunnen denken dat in de speurtocht naar familie, ik een minister zou tegen komen.
Weliswaar moeten we dan wel een klein zigzag wegje gaan, want deze man hoort dan wel in onze genealogie thuis,  alleen niet in onze tak.  Hij komt nl. van de Katholieke kant van onze familie.
We gaan gewoon weer even terug naar Cralingen , naar
Johannes Herman Harte, die in Cralingen een timmermans werkplaats had. Hij trouwde twee    keer,de eerste keer in 1718 met Cornelia Vermeer , en nadat Cornelia al jong overlijdt, haalt hij in zijn thuisland (Duitsland) zijn tweede vrouw en zij was geen gereformeerd meisje , maar een meisje van Katholieke huize, Christina Boonhout, uit Freckenhorst  Westphalen, met wie hij op 8  februari  1728 in Cralingen in het huwelijk  trad.
Samen kregen Jan en Christina nog 5 kinderen,  samen met de 5 nog levende kinderen van Jan en Cornelia een best groot gezin. 

Een van de zonen van Janen Christina was:


J     Johannes   Harte, geboren  op 11-09-1735 in Cralingen, overleden 17-09-1806 in Cralingen, hij is van beroep mr. timmerman. Na geloofsovergang werd Johannes, kerk en armmeester der RK gemeente van Kralingen.  Hij trouwde met (1) Joanna Maria Nelemans, 19-10-1761 in Rotterdam overleden 14-12-1768 in Cralingen. Joanna was een dochter van Adrianus Nelemans en Maria Tiers      

       Hij trouwde met (2) Clementia (Meijnsje, Mensje)Hensbroeck (Heijnsbroek), 11-10-1769 in Cralingen, geboren in Overschie, overleden 27-08-1798 in Cralingen. Clementia was een dochter van Theodorus Hensbroeck en Adriana van Leeuwen.

       Samen kregen Jan en Meijnsje 6 kinderen, 2 meisjes en 4 jongens , Theodorus, Adriana,Johannes,Jacob, Maria Christina en Albertus Johannes die maar 16 jaar mocht worden.


       Met hun tweede zoon Johannes vervolgen we onze weg.


       Johannes Harte, geboren 20-05-1775 in Kralingen, overleden 08-11-1844 in Kralingen, en begraven in Kralingen. Hij trouwde met Maria Huijbers, 23-04-1809 in Cralingen, (dochter van Joannes Huijbers en Maria van Rekum),  zij is overleden 30-08-1849 in Utrecht.
J      
       Jan en Maria kregen samen 4 kinderen allemaal geboren en gedoopt in Cralingen.
      
        hun zoon Joannes Jacobus Harte, geboren 14-05-1823 in Kralingen, overleden 05-08-1869 in Utrecht, van beroep koopman. lid kamer van koophandel en fabrieken te Utrecht. Hij trouwde met Anna Maria Theresia Mitschke, 21-05-1851 in Rotterdam, geboren 01-04-1826 in Rotterdam zij is overleden 15-09-1890 in Hilversum (huize Havelte). Anna is een dochter van Joseph, vrijheer van Freudenau  en Jotna (bij Laibach Krain) en Catharina Elisabeth Duffhues.

       De dopen van hun 12 kinderen vinden we terug in Utrecht.

       En hun oudste zoon is:


        Joannes Josephus Ignatius Harte, geboren op 15-10-1853 in Utrecht, overleden 04-07-1937 in s'- Gravenhage, begraven in s'-Gravenhage, van beroep advocaat, lid 2e kamer. oud minister van financien 1901-1905, lid raad van state, oud lid 2e kamer 1901-1905 , advocaat te Amsterdam, oud minister van Financien. Hij trouwde met Petronella Francisca Jurgens, 07-01-1889 in Oss, geboren 06-03-1868 in Oss, overleden 23-12-1927 in s'-Gravenhage.

Verkreeg bij K.B. d.d. 28 Dec. 1894 no 38, voor zich en zijne wettige nakomelingen het recht tot de naamstoevoeging, van Tecklenburg.


Zij kregen een zoon en een dochter allebei geboren in s’Gravenhage.


Hun zoon Jan Joseph Henri Harte van Tecklenburg, geboren 11-12-1893 in s'-Gravenhage, overleden 06-07-1965 in Emst (Gld) "de Westerkim", van beroep advocaat.

Bij K.B. 11 januari 1933 werd Jan Joseph Henri Harte van Tecklenburg tot Consul van Frankfurt aan Main benoemd. Hij trouwde met (1) Theresia Helena Maria Holt, 16-01-1923 in Bazel, geboren 30-04-1897 in s'Gravenhage (dochter van Theodorus Adrianus Holt en Antoinette Tombrock),  overleden 25-12-1982 in Atherton, California, VS.  Ze zijn gescheiden voor 1943.  Hij trouwde met (2) M. J. Hack.

Tot zover deze tak van de familie. Of Jan Joseph kinderen heeft gekregen is mij niet bekend.


zondag 5 augustus 2012

Knecht op de boerderij






Vanaf twaalf jaar kon een jongen als knecht op een boerderij in dienst komen.
De werktijd begon om half vier in de vroege ochtend en eindigde om negen uur 's avonds.


In zijn levensverhaal vertelde mijn schoonvader Simon Holierhoek:              

"Dat hij met 12 jaar zeven klassen had doorlopen en daarna ging  werken bij  de boer. Als knechtje voor dag en nacht. Het was een Protestantse boer (boer van der Vaart) in Delft. Elke avond las de boer uit de bijbel en vroeg dan soms aan zijn kinderen: “Wat was het laatste woord?” Zo kon hij controleren of ze wel goed luisterden. Siem moest elke avond zijn eigen Katholieke gebedje opzeggen. Dat was zo afgesproken met zijn ouders en de boer. En de boer hield daar strikt  hand aan.

Na een jaar kwam hij bij een boer/koopman. De ene dag zorgde hij voor 10 koeien en de andere dag voor 4.
Piet van Beurden was een neefje van de boer en Siem weet nog dat zij samen in een bed sliepen.

Elke maandag bracht je, je kapotte en vuile goed naar je moeder en s’zaterdags haalde je het weer op.

Later werd hij boerenarbeider en werkte alleen overdag nog bij de boer. Dan moest hij s’morgens lopend om 4 uur Kethel uit en  bij Delft met een bootje overvaren naar de boer".




Zijn verhaal wordt bevestigd door meerdere verhalen die ik las in Middendelftland is Mensenwerk.

Tot omstreeks 1950 was het een normaal verschijnsel om een knechtje van twaalf jaar op de boerderij te zien werken. Je kreeg op 1 mei een een contract van de boer en er werd dan verwacht dat je dat jaar dan bij deze boer bleef werken. De lonen waren laag voor de knechtjes en het geld ging ook meesstal naar de ouders. Veel knechten werden aangenomen voor dag en nacht, en ze verdienden dan ook loon in natura, voor kost en inwoning. Dat was voor veel grote gezinnen een uitkomst, een mond minder te voeden en nog geld toe.


Wat hield het werk van een knecht in? Zo ongeveer heb ik dat uit de verhalen kunnen natrekken. Zijn werk was ongeveer zoals hierna beschreven:

De knecht moest iedere ochtend, ook op  zondag ,

vroeg uit bed om de koeien te melken. In de zomer was dit om kwart over drie,
vier en in de winter, als de koeien in de stal stonden, een half uurtje later.
Om zes uur was het melken klaar en ging men ontbijten op de boenhoek,
waar de boerin en de dienstbode inmiddels de tafel gedekt hadden.
Er was altijd goed en voldoende te eten'.
Na het ontbijt, om half acht, moest de knecht de varkensstal uitmesten en de

mest in een put scheppen. Daarna moest hij de andere beesten, zoals de kalveren
en de schapen, verzorgen. In de winter werden de koeien, die op stal stonden,
gerost en geborsteld en de mest werd uit de grup achter de koeien vandaan geveegd.
De mest werd met een houten blok aan een steel naar een luik geschoven,
waarachter het in de mestput viel. Zo'n put kon wel twintig ton mest bevatten.
Om twaalf uur werd er warm gegeten. Soep, aardappelen, groenten en spek.
Als dessert was er meestal fruit uit de boomgaard. Na het eten werd er een uur gerust.
's Middags ging de knecht het land op om stekels te trekken, kanten te maaien, 
sloten uit te baggeren met de baggerbeugel of fruit uit de boomgaard te plukken,
al naar gelang het seizoen. De hooitijd was natuurlijk een erg drukke tijd,
dan was iedereen de hele dag op het land te vinden. Als de koeien op stal stonden,
moesten deze gevoerd en verzorgd worden. En om vier uur was het weer tijd om ze te melken.
Om zes uur was het avondeten, een broodmaaltijd. Daarna was iedereen vrij.

Uit de verhalen  komt telkens dezelfde gang van zaken naar voren.
De knechten woonden in huis bij de boer en de boerin.
Ze sliepen op de zolder boven het boenhoek.
In de vrije tijd zochten knechten elkaar op, men ging naar de catechesatie, 

de jongelingsvereniging of een landbouwcursus.
Op zondag konden ze  naar de kerk en op familiebezoek tot melktijd.
Het werk nam veel tijd in beslag, maar de indruk wordt gewekt dat het rustig kon worden uitgevoerd.

De meeste arbeid werd gedurende de hele periode van 1920-1940 met de hand gedaan.
Alleen in de drukke periode van de hooibouw werd er overgewerkt, 

want het hooi moest op tijd droog in de hooiberg liggen.

Wat een lange werkdagen maakte men toen zeg. Al zullen de boeren met hun knechten heden ten dage ook wel zo lang werken. Het werk moet toch
gedaan worden. Er zijn nu alleen heel wat machines die het zware werk doen, dus is het toch anders
dan vroeger.